Leiderschap & Organisatie

Autonomie op het werk: waarom zelf kunnen beslissen zo belangrijk is

Autonomie wordt vaak verward met volledige vrijheid. Alsof autonomie op het werk betekent dat je zelf bepaalt wanneer je werkt, welke taken je uitvoert…

Autonomie wordt vaak verward met volledige vrijheid. Alsof autonomie op het werk betekent dat je zelf bepaalt wanneer je werkt, welke taken je uitvoert en hoe je dat allemaal organiseert. In werkelijkheid is autonomie veel genuanceerder. Het gaat vooral over de mate waarin je invloed ervaart op je werk en het gevoel hebt dat je binnen bepaalde grenzen zelf keuzes kunt maken. Juist dat gevoel van invloed blijkt een belangrijke rol te spelen in motivatie, betrokkenheid en welzijn op het werk.

Vrijwel iedere functie bevat regels, afspraken en verwachtingen. Een verpleegkundige kan niet zelf beslissen welke veiligheidsprocedures worden gevolgd en een administratief medewerker kan wettelijke termijnen niet zomaar negeren. Toch kunnen beide medewerkers veel autonomie ervaren wanneer ze binnen die grenzen ruimte krijgen om hun deskundigheid te gebruiken, prioriteiten mee te bepalen of zelf keuzes te maken over de uitvoering van hun werk. Autonomie gaat dus niet over de afwezigheid van regels, maar over ervaren keuze- en beslissingsruimte binnen een duidelijke context.

Waarom hebben mensen behoefte aan autonomie?

Een van de bekendste wetenschappelijke kaders om autonomie te begrijpen is de zelfdeterminatietheorie van Edward Deci en Richard Ryan. Binnen deze theorie worden drie psychologische basisbehoeften onderscheiden: autonomie, competentie en verbondenheid. Mensen hebben behoefte aan het gevoel dat ze invloed hebben op hun eigen handelen, dat ze zich bekwaam kunnen voelen en dat ze betekenisvolle relaties met anderen kunnen aangaan.

Autonomie betekent binnen deze theorie nadrukkelijk niet dat iemand alles alleen wil doen of geen rekening wil houden met anderen. Ook samenwerken, instructies volgen of taken uitvoeren die door een werkgever zijn bepaald, kunnen samengaan met autonomie. Doorslaggevend is de mate waarin iemand zich kan identificeren met wat hij doet en het gevoel heeft dat zijn gedrag niet uitsluitend van buitenaf wordt opgelegd.

Het verschil tussen “Ik doe dit omdat iemand mij voortdurend controleert” en “Ik doe dit omdat ik begrijp waarom het nodig is en zelf invloed heb op hoe ik het aanpak” kan psychologisch groot zijn, zelfs wanneer de uiteindelijke taak dezelfde is. De zelfdeterminatietheorie maakt daarom ook onderscheid tussen verschillende vormen van motivatie. Gedrag kan sterk extern gestuurd zijn, bijvoorbeeld door controle, druk, beloning of de angst voor negatieve gevolgen, maar mensen kunnen externe verwachtingen ook geleidelijk internaliseren. Ze begrijpen dan waarom iets belangrijk is en kunnen er zich persoonlijk achter scharen. Daardoor ontstaat een meer autonome vorm van motivatie.

Onderzoek naar de zelfdeterminatietheorie in arbeidscontexten laat zien dat de bevrediging van de behoefte aan autonomie samenhangt met onder andere meer intrinsieke motivatie, betrokkenheid, werktevredenheid en psychologisch welzijn. Daarbij is autonomie niet de enige factor. Ook competentie, sociale verbondenheid, leiderschap, werkdruk, ondersteuning en beschikbare hulpbronnen spelen een rol. Het is dus te eenvoudig om te stellen dat meer autonomie automatisch tot betere prestaties of meer welzijn leidt.

Autonomie als hulpbron in het werk

Het belang van beslissingsruimte komt ook terug in andere invloedrijke arbeidspsychologische modellen. In het Job Demand-Control Model van Robert Karasek staat bijvoorbeeld de combinatie van taakeisen en beslissingsruimte centraal. Hoge taakeisen hoeven volgens dit model niet noodzakelijk dezelfde gevolgen te hebben wanneer een werknemer voldoende mogelijkheden heeft om invloed uit te oefenen op de manier waarop hij met die eisen omgaat. Vooral de combinatie van hoge eisen en weinig beslissingsruimte wordt in dit theoretische kader als ongunstig beschouwd.

Een vergelijkbare gedachte vinden we terug in het Job Demands-Resources Model van Bakker en Demerouti. Binnen dit model wordt onderscheid gemaakt tussen taakeisen en hulpbronnen. Taakeisen vragen fysieke, cognitieve of emotionele inspanning, terwijl hulpbronnen medewerkers kunnen helpen om met die eisen om te gaan, doelen te bereiken en zich te ontwikkelen. Autonomie kan zo'n werkhulpbron zijn. Wanneer medewerkers enige controle hebben over bijvoorbeeld hun werkmethode, planning of prioriteiten, beschikken ze over meer mogelijkheden om hun werk af te stemmen op de concrete situatie.

Ook het Job Characteristics Model van Hackman en Oldham kent autonomie een centrale plaats toe. Zij beschreven autonomie als een van de kenmerken van werk die bijdragen aan de psychologische ervaring van verantwoordelijkheid voor het resultaat. Wanneer iemand zelf keuzes kan maken over de uitvoering van zijn werk, kan het resultaat sterker als het gevolg van het eigen handelen worden ervaren.

Vanuit verschillende theoretische tradities komt dus een vergelijkbare gedachte naar voren: mensen functioneren niet alleen op basis van wat ze moeten doen, maar ook op basis van de invloed die ze ervaren op hoe ze dat kunnen doen.

Wanneer autonomie ontbreekt

Dat helpt ook verklaren waarom micromanagement belastend kan worden. Wanneer iedere kleine beslissing wordt gecontroleerd, gecorrigeerd of vooraf goedgekeurd, kan een medewerker het gevoel krijgen dat zijn deskundigheid nauwelijks telt. Hij voert zijn taken misschien nog steeds correct uit, maar ervaart minder eigenaarschap over het proces. Op langere termijn kan een werkomgeving met weinig beslissingsruimte bovendien invloed hebben op het gedrag dat medewerkers laten zien. Wanneer iemand ervaart dat initiatief zelden wordt gewaardeerd of dat vrijwel iedere beslissing toch door een leidinggevende wordt genomen, kan het rationeel worden om minder initiatief te nemen en vaker op instructies te wachten. Dat gedrag kan vervolgens worden geïnterpreteerd als een gebrek aan betrokkenheid, terwijl de werkomgeving zelf weinig ruimte laat om betrokkenheid te tonen.

Autonomie raakt daarom ook aan vertrouwen. Een organisatie die medewerkers verantwoordelijkheid geeft, communiceert impliciet dat hun deskundigheid en beoordelingsvermogen ertoe doen. Dat betekent niet dat controle overbodig wordt. In veel functies zijn kwaliteitscontrole, procedures en duidelijke verantwoordelijkheden noodzakelijk. Het verschil zit vooral in de manier waarop die controle wordt georganiseerd. Controle kan ondersteunend zijn en duidelijkheid bieden, maar ze kan ook zo gedetailleerd worden dat vrijwel iedere professionele afweging wordt overgenomen.

Meer autonomie is niet altijd beter

Het zou echter verkeerd zijn om daaruit te besluiten dat zoveel mogelijk autonomie altijd wenselijk is. Autonomie werkt het best wanneer mensen beschikken over voldoende informatie, competenties, middelen en duidelijkheid om de geboden ruimte daadwerkelijk te kunnen benutten.

Wie een nieuwe functie start en nauwelijks weet wat er verwacht wordt, kan bijvoorbeeld meer behoefte hebben aan structuur, begeleiding en duidelijke afspraken. Een ervaren medewerker kan dezelfde hoeveelheid sturing juist als beperkend ervaren. Ook de aard van het werk speelt een rol. In veiligheid kritische functies is de individuele beslissingsruimte op bepaalde momenten noodzakelijk beperkt, terwijl in creatieve of kennisintensieve functies vaak meer ruimte bestaat om zelf werkwijzen te bepalen.

Bovendien kan vrijheid zonder duidelijke verwachtingen een keerzijde hebben. Wanneer verantwoordelijkheden vaag zijn, prioriteiten voortdurend veranderen of niemand duidelijk maakt wat een goed resultaat is, ontstaat niet noodzakelijk autonomie. Er kan juist onzekerheid ontstaan. De medewerker krijgt dan wel verantwoordelijkheid, maar onvoldoende richting of ondersteuning. Daarom is het nuttig om onderscheid te maken tussen autonomie en aan je lot worden overgelaten. Echte autonomie combineert beslissingsruimte met duidelijke doelen, informatie, feedback en ondersteuning.

Autonomie zit vaak in kleine dagelijkse keuzes

Bij autonomie denken we gemakkelijk aan grote beslissingen: zelf werktijden bepalen, thuiswerken, projecten kiezen of invloed hebben op de strategie van een organisatie. In de dagelijkse werkpraktijk zit autonomie echter vaak in veel kleinere zaken. Kun je zelf bepalen in welke volgorde je taken uitvoert? Mag je een eigen methode gebruiken wanneer die tot hetzelfde kwalitatieve resultaat leidt? Kun je aangeven dat een deadline niet realistisch is? Heb je invloed op je planning? Word je betrokken bij veranderingen die rechtstreeks gevolgen hebben voor je functie? Kun je je expertise gebruiken zonder voor iedere kleine beslissing toestemming te moeten vragen?

Juist het ontbreken van dergelijke kleine vormen van invloed kan op termijn frustrerend worden. Een medewerker hoeft niet de strategie van een hele organisatie te bepalen om autonomie te ervaren. Het gevoel dat je als professional serieus wordt genomen en dat je binnen duidelijke grenzen zelf kunt nadenken en handelen, kan al een belangrijk verschil maken.

Autonomie is bovendien niet voor iedereen in dezelfde mate belangrijk. Sommige mensen voelen zich prettig in een sterk gestructureerde werkomgeving met duidelijke procedures, terwijl anderen veel behoefte hebben aan vrijheid, afwisseling en eigen beslissingsruimte. Ook binnen één persoon kan die behoefte veranderen. Wie nog weinig ervaring heeft met een taak kan aanvankelijk meer begeleiding wensen en later juist behoefte krijgen aan meer zelfstandigheid.

Daarom is bij werkontevredenheid een interessante vraag niet alleen: “Vind ik mijn werk nog leuk?” Het kan minstens zo relevant zijn om te onderzoeken: “Heb ik voldoende invloed op de manier waarop ik mijn werk kan uitvoeren?” Soms ligt ontevredenheid namelijk niet in de inhoud van het beroep zelf, maar in de manier waarop het werk georganiseerd en aangestuurd wordt.

Autonomie als onderdeel van de match met je werkomgeving

Dat maakt autonomie ook relevant bij loopbaanvragen. Twee functies met vrijwel dezelfde inhoud kunnen heel verschillend aanvoelen wanneer de ene organisatie sterk hiërarchisch werkt en de andere medewerkers veel professionele ruimte geeft. Iemand kan daarom concluderen dat een bepaald beroep niet meer bij hem past, terwijl vooral de organisatiecontext niet aansluit bij zijn behoefte aan autonomie.

Omgekeerd kan veel autonomie aantrekkelijk klinken, maar minder goed passen bij iemand die juist behoefte heeft aan voorspelbaarheid, duidelijke procedures en frequente afstemming. Er bestaat dus geen universeel ideale hoeveelheid autonomie. De vraag is vooral hoeveel beslissingsruimte iemand nodig heeft om goed te functioneren én hoeveel autonomie een bepaalde functie en organisatie daadwerkelijk bieden.

Wie nadenkt over werkgeluk, motivatie of een volgende loopbaanstap doet er daarom goed aan niet alleen te kijken naar functie-inhoud, salaris of doorgroeimogelijkheden. Ook vragen als “Hoeveel vrijheid heb ik nodig?”, “Hoeveel structuur vind ik prettig?” en “In welke mate wil ik zelf kunnen bepalen hoe ik mijn werk organiseer?” kunnen veel vertellen over de werkomgeving waarin iemand waarschijnlijk het best tot zijn recht komt.

Verder ontdekken met TestCompass

Testen rond werkwaarden, werkgeluk, functie-fit en ideale werkomgeving kunnen helpen om beter in kaart te brengen hoe belangrijk autonomie voor jou is en hoe die behoefte zich verhoudt tot andere aspecten van werk. Een test geeft daarbij geen definitief antwoord op de vraag welke werkomgeving bij iemand past, maar kan wel een vertrekpunt vormen voor reflectie en verdere loopbaanverkenning.

Bronnen

Bakker, A. B., & Demerouti, E. (2007). The Job Demands–Resources model: State of the art. Journal of Managerial Psychology, 22(3), 309–328.

Deci, E. L., & Ryan, R. M. (2000). The “what” and “why” of goal pursuits: Human needs and the self-determination of behavior. Psychological Inquiry, 11(4), 227–268.

Hackman, J. R., & Oldham, G. R. (1976). Motivation through the design of work: Test of a theory. Organizational Behavior and Human Performance, 16(2), 250–279.

Karasek, R. A. (1979). Job demands, job decision latitude, and mental strain: Implications for job redesign. Administrative Science Quarterly, 24(2), 285–308.

Ryan, R. M., & Deci, E. L. (2017). Self-determination theory: Basic psychological needs in motivation, development, and wellness. Guilford Press.

Van den Broeck, A., Ferris, D. L., Chang, C.-H., & Rosen, C. C. (2016). A review of self-determination theory's basic psychological needs at work. Journal of Management, 42(5), 1195–1229.

© TestCompass.eu

Alle rechten voorbehouden. Overname of verspreiding zonder voorafgaande toestemming is niet toegestaan.

Alle artikels