Zelfinzicht & Persoonlijkheid

Zelfkennis: waarom jezelf kennen moeilijker is dan het lijkt

Ik ken mezelf toch?

“Ik ken mezelf toch?”

Waarschijnlijk wel – en tegelijkertijd nooit volledig. Niemand heeft zoveel toegang tot je gedachten, gevoelens, herinneringen en ervaringen als jijzelf. Toch hebben mensen onvermijdelijk blinde vlekken. We interpreteren onszelf door een bril die gevormd wordt door eerdere ervaringen, verwachtingen, overtuigingen en reacties van anderen. Zelfkennis betekent daarom niet dat je op een bepaald moment definitief ontdekt ‘wie je bent’. Het is eerder een voortdurend proces van observeren, toetsen en bijstellen. Dat maakt zelfkennis tegelijk waardevol en ingewikkeld. We zijn namelijk niet alleen degene die onderzocht wordt, maar ook degene die het onderzoek uitvoert.

Wat bedoelen we eigenlijk met zelfkennis?

Zelfkennis kan betrekking hebben op verschillende aspecten van onszelf. We kunnen inzicht hebben in onze persoonlijkheid, waarden, motieven, emoties, sterke kanten, beperkingen, behoeften en typische gedragspatronen. Die verschillende vormen van kennis hoeven niet even sterk ontwikkeld te zijn. Iemand kan bijvoorbeeld heel goed weten welke werkzaamheden hem energie geven, maar weinig zicht hebben op hoe hij tijdens conflicten op anderen overkomt. Een ander kent zijn sterke professionele vaardigheden goed, maar vindt het moeilijk om eigen emoties te herkennen. Zelfkennis is dus geen alles-of-niets kenmerk.

Binnen psychologisch onderzoek wordt bovendien onderscheid gemaakt tussen verschillende vormen van informatie over het zelf. Sommige kennis is relatief beschrijvend: “Ik werk graag zelfstandig.” Andere kennis gaat meer over processen: “Wanneer ik mij beoordeeld voel, ga ik extra controleren en stel ik mijn werk langer uit. Voor persoonlijke ontwikkeling is vooral die tweede vorm vaak interessant, omdat ze zichtbaar maakt wanneer en waarom gedrag ontstaat.

Wie je bent en wie je denkt te moeten zijn

Een van de moeilijkheden bij zelfkennis is dat onze antwoorden gemakkelijk beïnvloed worden door idealen. Vraag iemand of hij behulpzaam is en het antwoord kan zowel iets zeggen over werkelijk gedrag als over het belang dat die persoon aan behulpzaamheid hecht. Mensen hebben namelijk niet alleen een beeld van wie ze zijn, maar ook van wie ze graag zouden willen zijn of vinden dat ze zouden moeten zijn.

De psycholoog E. Tory Higgins beschreef dit binnen de Self-Discrepancy Theory. Hij maakte onderscheid tussen onder andere het actuele zelf, het ideale zelf en het zelf waarvan iemand denkt dat hij het zou moeten zijn. Verschillen tussen deze zelfbeelden kunnen emotionele gevolgen hebben. Dat idee is ook relevant voor zelfreflectie. Wanneer iemand zegt “Ik ben heel assertief”, kan dat een correcte beschrijving zijn. Maar het kan ook gedeeltelijk weerspiegelen dat die persoon assertiviteit belangrijk vindt en zichzelf graag zo ziet. Daarom is een waardevolle vervolgvraag: “Welk concreet gedrag van mezelf ondersteunt die conclusie?” Niet alleen “Ben ik zo?”, maar ook “Waar zie ik dat aan?”

Introspectie heeft grenzen

We gaan er gemakkelijk van uit dat naar binnen kijken automatisch betrouwbare informatie oplevert. Toch laat psychologisch onderzoek zien dat mensen niet altijd volledig toegang hebben tot de processen die hun gedrag beïnvloeden.

Nisbett en Wilson beschreven al in de jaren zeventig hoe mensen soms verklaringen geven voor hun gedrag zonder rechtstreeks toegang te hebben tot de onderliggende mentale processen. We construeren dan een aannemelijke verklaring op basis van wat we weten over onszelf en de situatie. Dat betekent niet dat introspectie waardeloos is. Onze eigen ervaring bevat informatie waartoe niemand anders toegang heeft. Maar de verklaring die we aan die ervaring geven is niet automatisch volledig correct. Je kunt bijvoorbeeld heel duidelijk voelen dat een vergadering je irriteerde, maar minder goed weten waarom. Misschien denk je dat het door de inhoud kwam, terwijl vooral het gevoel niet gehoord te worden een rol speelde. Zelfkennis vraagt daarom meer dan naar binnen kijken. Het vraagt ook patronen observeren en hypotheses over jezelf toetsen.

Context verandert gedrag

Mensen gedragen zich bovendien niet overal hetzelfde. Iemand kan op het werk zeer assertief zijn en in een partnerrelatie conflicten vermijden. Een introverte persoon kan bijzonder sociaal zijn bij goede vrienden en toch uitgeput raken van een netwerkbijeenkomst. Dat is niet noodzakelijk inconsistentie. Persoonlijkheidspsychologie heeft lang gediscussieerd over de verhouding tussen persoon en situatie. Walter Mischel vestigde bijvoorbeeld sterk de aandacht op de invloed van situaties op gedrag. Latere benaderingen benadrukken vooral de interactie tussen relatief stabiele persoonskenmerken en de context waarin iemand zich bevindt.

Een persoonlijkheidskenmerk betekent dus niet dat iemand altijd exact hetzelfde gedrag vertoont. Iemand die gemiddeld hoog scoort op extraversie kan behoefte hebben aan stilte. Een doorgaans zorgvuldige medewerker kan onder extreme tijdsdruk fouten maken.Goede zelfkennis houdt daarom rekening met context en variatie. De vraag “Ben ik assertief?” wordt dan bijvoorbeeld: “In welke situaties lukt het mij gemakkelijk om mijn mening te geven, en wanneer wordt dat moeilijker?”Die tweede vraag levert doorgaans veel meer informatie op.

Blinde vlekken zijn normaal

Soms zien anderen patronen die we zelf nauwelijks opmerken. Misschien praat je sneller wanneer je zenuwachtig bent, neem je automatisch verantwoordelijkheid wanneer een groep vastloopt of trek je je terug zodra een gesprek emotioneel wordt. Dat heeft deels te maken met het verschil tussen een intern en extern perspectief. Jij kent je intenties, gedachten en gevoelens. Anderen zien vooral je gedrag. Daardoor kunnen beide perspectieven uiteenlopen. Jij weet bijvoorbeeld dat je tijdens een vergadering zwijgt omdat je eerst goed wilt nadenken. Een collega kan hetzelfde gedrag interpreteren als desinteresse. Omgekeerd kun jij jezelf als behulpzaam ervaren omdat je voortdurend probeert problemen op te lossen, terwijl een collega jouw gedrag soms als bemoeizuchtig ervaart. Geen van beide perspectieven hoeft de volledige waarheid te bevatten.

Onderzoek van Simine Vazire naar zelf- en anderkennis suggereert dat mensen voor sommige eigenschappen zelf de beste informatiebron zijn, terwijl anderen voor bepaalde duidelijk zichtbare eigenschappen soms waardevolle aanvullende informatie hebben. Feedback kan daarom nuttig zijn, vooral wanneer hetzelfde patroon door verschillende mensen en in verschillende situaties wordt waargenomen.

Zelfbewustzijn is niet hetzelfde als veel over jezelf nadenken

Er bestaat nog een belangrijke nuance. Veel over jezelf nadenken leidt niet automatisch tot betere zelfkennis. Psycholoog Anthony Grant en collega's maakten bijvoorbeeld onderscheid tussen zelfreflectie en inzicht. Mensen kunnen zeer veel nadenken over zichzelf zonder noodzakelijk tot helderdere conclusies te komen. Dat herkennen we bij piekeren. Iemand kan urenlang nadenken over waarom een gesprek verkeerd liep en toch steeds in dezelfde cirkel blijven ronddraaien.

Productieve zelfreflectie heeft daarom een onderzoekend karakter. Ze probeert patronen te begrijpen zonder onmiddellijk een definitief oordeel te vellen. In plaats van “Waarom doe ik altijd zo stom?” kan de vraag bijvoorbeeld worden: “Wat gebeurde er vlak voordat ik mij terugtrok? Wat dacht ik op dat moment? Gebeurt dat in vergelijkbare situaties vaker?” De tweede manier van vragen levert informatie op. De eerste versterkt vooral een negatief oordeel.

Wat kan een psychologische test toevoegen?

Een goed opgebouwde test kan helpen om systematisch stil te staan bij aspecten waar je anders misschien niet over nadenkt. Scores en profielen kunnen taal geven aan patronen en verschillen zichtbaar maken. Een test kan bijvoorbeeld duidelijk maken dat iemand autonomie veel belangrijker vindt dan hij vooraf dacht, dat bepaalde stresssignalen vaker voorkomen of dat er een opvallend verschil bestaat tussen verschillende domeinen. Maar een test is geen orakel en een score is geen volledige beschrijving van een persoon. De betekenis van een test hangt onder andere af van wat het instrument meet, hoe betrouwbaar en valide het is en waarvoor het bedoeld is. Een klinisch diagnostisch instrument heeft een ander doel dan een reflectieve vragenlijst voor persoonlijke ontwikkeling.

Ook zelfrapportage kent beperkingen. Mensen beantwoorden vragen vanuit hun eigen waarneming en kunnen beïnvloed worden door stemming, interpretatie, sociale wenselijkheid of het beeld dat ze van zichzelf hebben. Daarom wordt een test vooral interessant wanneer de resultaten het begin van een gesprek of reflectie vormen. Herken ik dit? In welke situaties wel? Wanneer juist niet? Welke voorbeelden kan ik bedenken? Wat verrast mij? En welke andere informatie ondersteunt of spreekt deze uitkomst tegen? Dan wordt testen geen zoektocht naar een etiket, maar een manier om gerichte vragen over jezelf te stellen.

Zelfkennis zonder zelfveroordeling

Een belangrijk risico van zelfonderzoek is dat inzicht onmiddellijk verandert in beoordeling. Je ontdekt bijvoorbeeld dat je conflicten vermijdt en concludeert vervolgens dat je ‘te zwak’ bent. Of je merkt dat je sterk behoefte hebt aan structuur en interpreteert dat als een gebrek aan flexibiliteit. Zelfkennis wordt waardevoller wanneer beschrijving en beoordeling eerst van elkaar worden gescheiden.

Een eigenschap of patroon heeft vaak voor- én nadelen afhankelijk van de situatie. Zorgvuldigheid kan leiden tot kwaliteit, maar in extreme vorm ook tot traagheid. Flexibiliteit kan helpen bij verandering, maar zonder voldoende structuur ook tot versnippering leiden. Conflictvermijding kan soms verstandig zijn en op andere momenten noodzakelijke gesprekken in de weg staan. De interessante vraag is daarom niet alleen “Welke eigenschap heb ik?”, maar vooral: “Wanneer helpt dit patroon mij en wanneer beperkt het mij?”

Zelfkennis is vooral nuttig wanneer je er iets mee doet

Weten dat autonomie belangrijk voor je is heeft beperkte waarde wanneer je vervolgens jarenlang in een omgeving blijft waarin iedere beslissing voor je wordt genomen. Weten dat je conflicten vermijdt wordt interessanter wanneer je gaat herkennen wanneer dat behulpzaam is en wanneer je daardoor belangrijke onderwerpen niet bespreekt.

Zelfkennis is dus geen eindpunt. Ze biedt informatie waarmee bewustere keuzes mogelijk worden.Dat kan gaan over grote loopbaanbeslissingen, maar evengoed over kleine aanpassingen. Misschien ontdek je dat je na veel sociale interactie tijd nodig hebt om te herstellen. Dat hoeft niet te betekenen dat je een andere baan nodig hebt; misschien helpt het al om je agenda anders te organiseren.

Of je merkt dat je sterk gemotiveerd wordt door ontwikkeling. Dan kan een gesprek over nieuwe verantwoordelijkheden of opleiding relevanter zijn dan onmiddellijk concluderen dat je huidige baan niet meer past. Goede zelfkennis vergroot niet de garantie dat we altijd de juiste keuze maken. Ze kan wel helpen om beter te begrijpen waarom bepaalde situaties bij ons passen, waarom andere schuren en welke patronen we zelf meenemen van de ene situatie naar de andere.

Verder ontdekken met TestCompass

De persoonlijkheids-, loopbaan-, relatie- en werkgerelateerde testen van TestCompass zijn bedoeld om gestructureerde zelfreflectie vanuit verschillende invalshoeken te ondersteunen. De resultaten kunnen aanleiding geven om ervaringen, gedrag en voorkeuren verder te onderzoeken. Ze moeten daarbij worden gelezen binnen het doel waarvoor de betreffende test ontwikkeld is en niet automatisch worden opgevat als een klinische diagnose of definitief oordeel over wie iemand is.

Bronnen

Grant, A. M., Franklin, J., & Langford, P. (2002). The Self-Reflection and Insight Scale: A new measure of private self-consciousness. Social Behavior and Personality, 30(8), 821–835.

Higgins, E. T. (1987). Self-discrepancy: A theory relating self and affect. Psychological Review, 94(3), 319–340.

Mischel, W. (1968). Personality and assessment. Wiley.

Nisbett, R. E., & Wilson, T. D. (1977). Telling more than we can know: Verbal reports on mental processes. Psychological Review, 84(3), 231–259.

Vazire, S. (2010). Who knows what about a person? The self-other knowledge asymmetry model. Journal of Personality and Social Psychology, 98(2), 281–300.

Wilson, T. D. (2002). Strangers to ourselves: Discovering the adaptive unconscious. Harvard University Press.

© TestCompass.eu

Alle rechten voorbehouden. Overname of verspreiding zonder voorafgaande toestemming is niet toegestaan.

Alle artikels