Het leven verloopt zelden precies zoals gepland. Werk verandert, relaties veranderen, verwachtingen worden niet altijd waargemaakt en soms worden we geconfronteerd met omstandigheden waarop we nauwelijks invloed hebben. We kunnen proberen alles onder controle te houden, maar vroeg of laat botsen we op onzekerheid, teleurstelling, twijfel of ongemak. Hoe we daarmee omgaan hangt onder andere samen met onze psychologische flexibiliteit: het vermogen om ons gedrag af te stemmen op wat een situatie vraagt en op wat we belangrijk vinden, zonder automatisch gestuurd te worden door moeilijke gedachten, emoties of gewoonten.
Psychologische flexibiliteit betekent niet dat je alles moet accepteren, altijd positief moet blijven of je voortdurend moet aanpassen aan anderen. Het gaat juist over het vermogen om bewust te kiezen hoe je wilt handelen, ook wanneer een situatie ongemakkelijk, onzeker of emotioneel belastend is.
Wat is psychologische flexibiliteit?
Het begrip psychologische flexibiliteit speelt een centrale rol binnen Acceptance and Commitment Therapy (ACT), ontwikkeld vanuit het werk van Steven Hayes en collega's. ACT vertrekt niet vanuit de gedachte dat moeilijke gedachten en gevoelens eerst moeten verdwijnen voordat iemand goed kan functioneren. Angst, verdriet, onzekerheid en zelftwijfel horen in zekere mate bij het menselijk leven.De centrale vraag wordt daarom niet alleen: “Hoe krijg ik dit gevoel weg?” maar ook: “Kan ik ruimte maken voor wat ik ervaar en ondertussen handelen in een richting die voor mij belangrijk is?”
Binnen ACT wordt psychologische flexibiliteit beschreven aan de hand van verschillende onderling verbonden processen. Daarbij gaat het onder andere om openstaan voor innerlijke ervaringen, gedachten met enige afstand kunnen bekijken, aandacht hebben voor het huidige moment, zicht krijgen op persoonlijke waarden en gedrag stellen dat met die waarden overeenkomt. Het tegenovergestelde wordt vaak psychologische inflexibiliteit genoemd. Daarbij raakt gedrag sterker gestuurd door pogingen om ongemakkelijke innerlijke ervaringen te vermijden of door gedachten die als absolute waarheden worden behandeld.
Wanneer gedachten ons gedrag gaan bepalen
Iedereen heeft gedachten die niet noodzakelijk behulpzaam zijn. Ik kan dit niet. Dit gaat mislukken. Ze zullen mij niet goed genoeg vinden. Ik moet eerst zeker zijn voordat ik beslis. Het bestaan van zulke gedachten is op zichzelf niet het probleem. Het wordt moeilijker wanneer we ze automatisch als feiten behandelen en ons gedrag er volledig door laten bepalen.
Binnen ACT wordt daarvoor het begrip cognitieve fusie gebruikt. Bij cognitieve fusie raken we als het ware zo sterk verstrengeld met een gedachte dat we nauwelijks nog onderscheid maken tussen de gedachte en de werkelijkheid. “Ik denk dat ik niet goed genoeg ben” verandert dan ongemerkt in “Ik ben niet goed genoeg.” Dat verschil lijkt klein, maar kan grote gevolgen hebben voor gedrag. Iemand kan bijvoorbeeld een interessante vacature niet beantwoorden omdat de gedachte “Ze zullen waarschijnlijk iemand zoeken die beter is dan ik” zo overtuigend voelt dat solliciteren niet eens meer wordt overwogen.
Psychologische flexibiliteit betekent in zo'n situatie niet dat je jezelf moet overtuigen dat je fantastisch bent of dat de gedachte onzin is. Het betekent dat je kunt herkennen: “Ik merk dat ik de gedachte heb dat ik niet goed genoeg ben” en vervolgens kunt onderzoeken of je je gedrag volledig door die gedachte wilt laten bepalen. Dat proces wordt binnen ACT cognitieve defusie genoemd.
Ook emoties hoeven niet eerst te verdwijnen
We stellen gedrag regelmatig uit totdat we ons anders voelen. Eerst moet de angst weg, dan voeren we het moeilijke gesprek. Eerst moeten we meer zelfvertrouwen hebben, dan solliciteren we. Eerst moeten we zeker weten dat we de juiste keuze maken, dan nemen we een beslissing. Het probleem is dat volledige zekerheid vaak niet komt.
Sommige gevoelens veranderen bovendien juist nadat we beginnen te handelen. Wie bang is voor conflicten kan jarenlang wachten op het moment waarop een moeilijk gesprek comfortabel voelt. Dat moment komt misschien nooit. Psychologische flexibiliteit betekent dan dat de spanning aanwezig mag zijn terwijl je toch op een respectvolle manier je grens aangeeft. Dit betekent niet dat mensen hun emoties moeten negeren. Emoties bevatten vaak waardevolle informatie. Angst kan waarschuwen voor risico, boosheid kan wijzen op een ervaren grensoverschrijding en verdriet kan aangeven dat iets waardevols verloren is gegaan. De vraag is vooral of een emotie informatie geeft waarmee we rekening houden, of volledig bepaalt wat we wel en niet meer durven doen.
Ervaringsvermijding: wanneer niet willen voelen het probleem groter maakt
Een ander belangrijk begrip binnen ACT is experiëntiële of ervaringsgerichte vermijding. Daarmee wordt bedoeld dat mensen proberen bepaalde gedachten, gevoelens, herinneringen of lichamelijke gewaarwordingen te vermijden of onder controle te krijgen, zelfs wanneer die strategie op langere termijn problemen veroorzaakt. Vermijding is niet altijd verkeerd. Wanneer een situatie werkelijk gevaarlijk is, is weggaan verstandig. Ook afleiding kan tijdelijk nuttig zijn.
Het wordt problematischer wanneer het vermijden van innerlijk ongemak steeds meer keuzes gaat bepalen. Iemand die bang is om te falen kan bijvoorbeeld moeilijke taken vermijden. Dat vermindert op korte termijn de spanning. Tegelijk krijgt die persoon minder kansen om ervaring op te bouwen en te ontdekken dat fouten hanteerbaar zijn. De opluchting van vandaag kan daardoor de angst van morgen in stand houden. Hetzelfde kan gebeuren bij sociale spanning, conflicten of loopbaanbeslissingen. Vermijding werkt op korte termijn vaak uitstekend – en juist daarom kan het zo hardnekkig worden.
Waarden geven richting wanneer zekerheid ontbreekt
Wanneer gedachten en gevoelens niet altijd betrouwbare beslissers zijn, rijst de vraag waarop we ons gedrag dan wél kunnen richten. Binnen ACT spelen waarden daarin een centrale rol. Waarden zijn geen concrete doelen die je kunt afvinken. Ze beschrijven eerder kwaliteiten of richtingen die je belangrijk vindt. Iemand kan bijvoorbeeld waarde hechten aan ontwikkeling, zorgzaamheid, eerlijkheid, zelfstandigheid, creativiteit of verbondenheid. Een doel kan zijn: “Ik wil een opleiding volgen.” De onderliggende waarde kan ontwikkeling zijn. De opleiding kan op een dag afgerond zijn; ontwikkeling als waarde blijft richting geven.
Waarden zijn vooral nuttig wanneer geen keuze volledig comfortabel is. Stel dat je in een functie zit die zekerheid biedt maar nauwelijks nog ontwikkelingsmogelijkheden. Er bestaat misschien geen beslissing zonder verlies. Blijven betekent iets behouden en iets missen; vertrekken betekent kansen creëren en onzekerheid toelaten. Waarden geven dan geen garantie op de juiste keuze, maar kunnen helpen om te bepalen welke richting je belangrijk genoeg vindt om ongemak voor te verdragen.
Flexibiliteit is iets anders dan je voortdurend aanpassen
Het woord flexibiliteit kan misleidend zijn. In organisaties wordt een ‘flexibele medewerker’ soms gezien als iemand die zonder bezwaar langer werkt, voortdurend van planning verandert en zich gemakkelijk aanpast aan iedere nieuwe verwachting. Dat is niet noodzakelijk psychologische flexibiliteit. Iemand kan juist zó sterk gericht zijn op aanpassen dat eigen waarden, behoeften en grenzen verdwijnen. Wanneer iemand uit angst voor afwijzing altijd ja zegt, is dat eerder gedrag dat door angst wordt gestuurd dan een vrije, flexibele keuze.
Psychologische flexibiliteit kan daarom soms betekenen dat je meebeweegt, maar op andere momenten dat je juist niet meegaat. Misschien accepteer je dat een organisatie verandert en zoek je actief naar een nieuwe rol. Misschien stel je juist een grens omdat een bepaalde verwachting niet meer verenigbaar is met wat voor jou belangrijk is. Flexibiliteit betekent dus niet: “Ik pas mij aan alles aan.” Het betekent eerder: “Ik kan mijn gedrag bewust aanpassen wanneer dat zinvol is, zonder automatisch mijn eigen richting te verliezen.”
Psychologische flexibiliteit op het werk
In de arbeidscontext is dit bijzonder relevant. Werk bevat voortdurend onzekerheid en verandering: nieuwe technologie, andere leidinggevenden, reorganisaties, moeilijke gesprekken, fouten, feedback en beslissingen waarvan de uitkomst niet volledig voorspelbaar is.
Psychologische flexibiliteit kan helpen om met dergelijke situaties om te gaan, maar mag niet worden gebruikt om structurele problemen te individualiseren. Een medewerker hoeft geen toxische werkomgeving te ‘leren accepteren’ en onrealistische werkdruk wordt niet gezond doordat iemand flexibeler leert denken. Dat onderscheid is essentieel. Sommige omstandigheden vragen persoonlijke aanpassing; andere vragen verandering van de omgeving. En soms is juist de flexibele reactie besluiten dat een situatie niet langer bij je past.
Onderzoek naar ACT en psychologische flexibiliteit in werkcontexten wijst erop dat interventies gericht op psychologische flexibiliteit onder bepaalde omstandigheden kunnen bijdragen aan welzijn en functioneren. Tegelijk blijft de kwaliteit van de werkomgeving belangrijk. Psychologische flexibiliteit is dus geen schild waarmee mensen onbeperkte belasting zouden moeten kunnen verdragen.
Een andere vraag stellen
Wanneer we vastlopen, stellen we vaak vragen als: “Hoe zorg ik dat ik niet meer bang ben?”, “Hoe krijg ik zekerheid?” of “Hoe stop ik met twijfelen?” Soms kan een andere vraag behulpzamer zijn: “Stel dat deze twijfel voorlopig aanwezig blijft – wat zou ik dan willen doen?” Of: “Welke keuze past het best bij wat ik belangrijk vind, gegeven de omstandigheden zoals ze nu zijn?” Die vragen lossen ongemak niet onmiddellijk op. Ze verplaatsen wel het uitgangspunt van controle over onze innerlijke ervaring naar invloed op ons gedrag. En precies daar ligt de kern van psychologische flexibiliteit: niet wachten op een leven zonder moeilijke gedachten en gevoelens, maar leren handelen met de werkelijkheid die er op dat moment is.
Verder ontdekken met TestCompass
Testen rond coping, persoonlijkheid, conflicthantering, werkwaarden en veerkracht kunnen helpen om te onderzoeken hoe je reageert wanneer situaties moeilijk, onzeker of veranderlijk worden. Ze kunnen aanknopingspunten bieden voor reflectie op patronen, zonder daarmee psychologische flexibiliteit of eventuele psychische problematiek klinisch te diagnosticeren.
Bronnen
Bond, F. W., Hayes, S. C., & Barnes-Holmes, D. (2006). Psychological flexibility, ACT, and organizational behavior. Journal of Organizational Behavior Management, 26(1–2), 25–54.
Bond, F. W., & Bunce, D. (2003). The role of acceptance and job control in mental health, job satisfaction, and work performance. Journal of Applied Psychology, 88(6), 1057–1067.
Hayes, S. C., Luoma, J. B., Bond, F. W., Masuda, A., & Lillis, J. (2006). Acceptance and commitment therapy: Model, processes and outcomes. Behaviour Research and Therapy, 44(1), 1–25.
Hayes, S. C., Strosahl, K. D., & Wilson, K. G. (2012). Acceptance and commitment therapy: The process and practice of mindful change (2nd ed.). Guilford Press.
Kashdan, T. B., & Rottenberg, J. (2010). Psychological flexibility as a fundamental aspect of health. Clinical Psychology Review, 30(7), 865–878.
