Zelfinzicht & Persoonlijkheid

Impostor phenomenon: waarom voel ik mij niet goed genoeg ondanks mijn succes?

Je krijgt een nieuwe functie waarvoor je bewust bent geselecteerd, maar denkt dat men je capaciteiten overschat. Je ontvangt een compliment en schrijft…

Je krijgt een nieuwe functie waarvoor je bewust bent geselecteerd, maar denkt dat men je capaciteiten overschat. Je ontvangt een compliment en schrijft het resultaat vooral toe aan geluk. Of je bent bang dat collega's op een dag zullen ontdekken dat je eigenlijk veel minder competent bent dan zij denken. Zulke ervaringen worden vaak omschreven als impostor syndrome, in het Nederlands ook wel het bedriegerssyndroom genoemd. Wetenschappelijk is impostor phenomenon of impostor fenomeen een betere term. Het gaat namelijk niet om een officieel erkende psychische stoornis, maar om een psychologisch patroon waarbij iemand moeite heeft eigen prestaties te internaliseren en ondanks objectieve aanwijzingen voor competentie blijft vrezen niet werkelijk zo bekwaam te zijn als anderen denken.

Wanneer succes het zelfbeeld nauwelijks verandert

Het begrip werd in 1978 geïntroduceerd door Pauline Clance en Suzanne Imes. Zij beschreven succesvolle vrouwen die hun prestaties moeilijk aan hun eigen capaciteiten konden toeschrijven en bang waren uiteindelijk als ‘bedrieger’ ontmaskerd te worden. Later onderzoek liet zien dat impostor gevoelens niet uitsluitend bij vrouwen voorkomen en evenmin beperkt zijn tot uitzonderlijk succesvolle professionals. Mensen van verschillende leeftijden, genders en beroepsgroepen kunnen ermee te maken krijgen.

Een opvallend kenmerk is de tegenstelling tussen externe informatie en interne beleving. Objectief kunnen er allerlei aanwijzingen voor competentie bestaan: diploma's, positieve beoordelingen, promoties, tevreden klanten, succesvolle projecten of jarenlange ervaring. Toch voelt dat bewijs niet overtuigend. Succes krijgt een alternatieve verklaring: “Ik had geluk”, “De opdracht was toevallig gemakkelijk”, “Iedereen zou dit kunnen als hij er zoveel tijd in stopte” of “Ze hebben gewoon nog niet ontdekt dat ik eigenlijk niet zo goed ben.”

Daardoor ontstaat een opmerkelijke asymmetrie. Positieve informatie wordt gerelativeerd, terwijl fouten juist zwaar kunnen wegen. Een compliment wordt verklaard als vriendelijkheid of toeval; één kritische opmerking wordt ervaren als bevestiging van wat iemand diep vanbinnen al vreesde. Tien goede prestaties veranderen weinig aan het zelfbeeld, terwijl één fout plots als veelzeggend bewijs wordt behandeld.

Dit raakt aan bredere processen uit de cognitieve psychologie. Mensen verwerken informatie niet volledig neutraal. Bestaande overtuigingen beïnvloeden welke informatie we opmerken en hoe we haar interpreteren. Wanneer iemand sterk gelooft “Ik ben eigenlijk niet zo competent”, past een fout gemakkelijker binnen dat bestaande verhaal dan een compliment. Het compliment moet als het ware eerst verklarend worden weggewerkt.

Dat betekent niet dat iedereen die een compliment relativeert een impostor probleem heeft. Bescheidenheid, realistisch erkennen dat anderen hebben geholpen en beseffen dat toeval soms een rol speelt zijn gezond. Het patroon wordt vooral interessant wanneer eigen competentie systematisch uit de verklaring van succes verdwijnt.

De paradox van extreem hard werken

Niet iedereen met impostor gevoelens vermijdt uitdagingen. Sommige mensen reageren precies tegenovergesteld en bereiden zich buitengewoon grondig voor. Een presentatie wordt tientallen keren geoefend, een rapport eindeloos gecontroleerd en voor een vergadering wordt veel meer informatie verzameld dan waarschijnlijk noodzakelijk is.

Die strategie kan uitstekend resultaat opleveren. Juist daardoor ontstaat echter een paradox. Wanneer de presentatie goed verloopt, denkt iemand niet noodzakelijk: “Ik heb dit goed gedaan omdat ik bekwaam en goed voorbereid ben.” De conclusie kan worden: “Zie je wel hoeveel voorbereiding ik nodig had om niet door de mand te vallen.”

De inspanning die bijdroeg aan succes wordt zo opnieuw bewijs van vermeende ontoereikendheid. Daardoor kan een impostor cyclus ontstaan: een taak roept twijfel op, die twijfel leidt tot overmatige voorbereiding of soms uitstel, de taak wordt uiteindelijk succesvol uitgevoerd, het succes wordt extern verklaard en bij de volgende opdracht begint dezelfde onzekerheid opnieuw.

Daar bestaat een duidelijke verbinding met perfectionisme. Wanneer alleen uitzonderlijk presteren voldoende bewijs van competentie lijkt, blijft weinig ruimte over voor normale fouten, onzekerheid en leerervaringen. Een professional vergelijkt zichzelf dan niet met een realistische standaard, maar met een fictieve expert die altijd alles weet, nooit twijfelt en geen hulp nodig heeft.

Werkelijke expertise ziet er anders uit. Ervaren professionals zoeken informatie op, vragen advies, maken inschattingsfouten en komen nieuwe situaties tegen waarop zij niet onmiddellijk het antwoord kennen. Competentie betekent niet dat je nooit onzeker bent. Ze betekent onder andere dat je voldoende kennis en vaardigheden hebt om ook met onzekerheid en nieuwe problemen om te gaan.

Impostor gevoelens kunnen daarom sterker worden tijdens overgangsmomenten: een eerste leidinggevende functie, promotie, zelfstandig ondernemerschap, een nieuwe opleiding of toetreden tot een zeer ervaren team. In zulke situaties weet iemand daadwerkelijk nog niet alles. Het cruciale onderscheid is dan dat “Ik weet nog niet hoe dit werkt” iets totaal anders betekent dan “Ik hoor hier niet thuis.”

Sociale vergelijking kan twijfel versterken

Op het werk zien we meestal het zichtbare functioneren van anderen, terwijl we onze eigen onzekerheid van binnenuit ervaren. Je ziet een collega zelfverzekerd presenteren, maar niet hoeveel spanning hij vooraf voelde. Je hoort een expert snel antwoorden, maar ziet niet de twintig jaar ervaring, eerdere fouten en duizenden uren oefening die eraan voorafgingen.

Daardoor vergelijken mensen soms hun eigen binnenwereld met de buitenkant van anderen. Dat is per definitie een ongelijke vergelijking. Professionele sociale media kunnen dit nog versterken doordat promoties, diploma's, succesvolle projecten en nieuwe functies veel zichtbaarder zijn dan afwijzingen, mislukkingen, twijfel of werkdagen waarop nauwelijks iets lukt.

Onderzoek naar het impostor fenomeen laat verbanden zien met onder andere angst, depressieve klachten, burn-out en lagere werktevredenheid. Zulke verbanden betekenen niet automatisch dat impostor gevoelens deze problemen veroorzaken. Ze maken wel duidelijk dat het fenomeen meer kan zijn dan een onschuldige vorm van bescheidenheid, zeker wanneer het langdurig veel spanning veroorzaakt of loopbaankeuzes begint te beperken.

Tegelijk moet normale professionele twijfel niet geproblematiseerd worden. Soms is onzekerheid realistische informatie. Wanneer iemand voor het eerst een complexe taak uitvoert en daarvoor onvoldoende kennis heeft, is twijfel niet noodzakelijk een cognitieve vertekening. Ze kan juist aanleiding zijn om informatie, opleiding of begeleiding te zoeken.

Ook kritische feedback moet niet automatisch worden afgewezen met “Dat is gewoon mijn impostor syndrome.” Zelfkennis betekent zowel sterke punten als ontwikkelpunten realistisch kunnen beoordelen. Een bruikbaardere vraag is daarom: “Past de intensiteit van mijn twijfel bij de feitelijke informatie die ik over mijn functioneren heb?”

Wanneer iemand structureel veel positiever wordt beoordeeld dan hij zichzelf beoordeelt, kan die discrepantie interessant zijn om nader te onderzoeken.

Van gevoel naar bewijs

Een praktische manier om dat te doen is bij prestaties bewust te kijken naar de eigen bijdrage. Wat heb jij gedaan waardoor dit goed verliep? Welke kennis heb je gebruikt? Welke beslissing heb jij genomen? Welke vaardigheid heeft geholpen? Welke voorbereiding was normaal en functioneel, en welk deel kwam vooral voort uit angst om fouten te maken?

Dat betekent niet dat je alle succes volledig aan jezelf moet toeschrijven. Vrijwel iedere prestatie ontstaat uit een combinatie van eigen inzet, vaardigheden, samenwerking, kansen en omstandigheden. Een realistisch zelfbeeld kan al die factoren tegelijk erkennen. Het probleem ontstaat vooral wanneer geluk en hulp uitsluitend worden gebruikt om succes te verklaren, terwijl fouten volledig persoonlijk worden gemaakt.

Het kan eveneens helpen onderscheid te maken tussen je competent voelen en competent handelen. Die twee vallen niet altijd samen. Je kunt je onzeker voelen en toch deskundig handelen. Je kunt spanning ervaren en toch uitstekend voorbereid zijn. Je kunt nog veel moeten leren en tegelijkertijd voldoende competent zijn voor je huidige rol.

De centrale vraag hoeft daarom niet te zijn: “Wanneer zal ik mij eindelijk honderd procent zeker voelen?” Volledige zekerheid is voor veel complexe professionele rollen waarschijnlijk geen realistisch doel. Een bruikbaardere vraag is: “Welke concrete feiten heb ik over mijn functioneren, en durf ik die even serieus te nemen als mijn twijfel?”

Daarmee verandert de focus. Het doel wordt niet alle onzekerheid uitschakelen, maar een zelfbeeld ontwikkelen waarin zowel competentie als ontwikkeling, zowel succes als fouten en zowel eigen bijdrage als hulp van anderen een realistische plaats krijgen.

Verder ontdekken met TestCompass

Binnen TestCompass kunnen thema's die samenhangen met impostorgevoelens vanuit verschillende invalshoeken worden onderzocht, waaronder perfectionisme, faalangst, zelfbeeld en persoonlijkheidskenmerken. Zulke resultaten kunnen helpen terugkerende patronen zichtbaar te maken, maar zijn niet bedoeld om een ‘impostor syndrome’ te diagnosticeren.

Bronnen

Bravata, D. M., Watts, S. A., Keefer, A. L., Madhusudhan, D. K., Taylor, K. T., Clark, D. M., Nelson, R. S., Cokley, K. O., & Hagg, H. K. (2020). Prevalence, predictors, and treatment of impostor syndrome: A systematic review. Journal of General Internal Medicine, 35, 1252–1275.

Clance, P. R., & Imes, S. A. (1978). The imposter phenomenon in high achieving women: Dynamics and therapeutic intervention. Psychotherapy: Theory, Research & Practice, 15(3), 241–247.

Clance, P. R., & O'Toole, M. A. (1987). The imposter phenomenon: An internal barrier to empowerment and achievement. Women & Therapy, 6(3), 51–64.

Sakulku, J., & Alexander, J. (2011). The impostor phenomenon. International Journal of Behavioral Science, 6(1), 73–92.

Vergauwe, J., Wille, B., Feys, M., De Fruyt, F., & Anseel, F. (2015). Fear of being exposed: The trait-relatedness of the impostor phenomenon and its relevance in the work context. Journal of Business and Psychology, 30, 565–581.

© TestCompass.eu

Alle rechten voorbehouden. Overname of verspreiding zonder voorafgaande toestemming is niet toegestaan.

Alle artikels