Stress, Belastbaarheid & Herstel

Waarom blijven we piekeren? Wanneer nadenken niet meer helpt

Je ligt in bed en speelt een gesprek van eerder die dag opnieuw af. Had ik dat anders moeten zeggen? Wat bedoelde mijn collega precies? Misschien had…

Je ligt in bed en speelt een gesprek van eerder die dag opnieuw af. Had ik dat anders moeten zeggen? Wat bedoelde mijn collega precies? Misschien had ik beter gezwegen. Even later verschuift je aandacht naar morgen. Wat als het gesprek verkeerd loopt? Wat als ik geen goed antwoord heb? Het voelt alsof je een probleem probeert op te lossen, maar na een uur denken ben je nauwelijks verder. Dat is een belangrijk kenmerk van piekeren: er vindt veel mentale activiteit plaats, terwijl relatief weinig nieuwe informatie, besluitvorming of concrete actie ontstaat.

Wanneer nadenken op probleemoplossing lijkt

Nadenken is uiteraard noodzakelijk. We gebruiken het om problemen te analyseren, gebeurtenissen te verwerken, plannen te maken en beslissingen te nemen. Piekeren wordt problematischer wanneer gedachten steeds opnieuw rond dezelfde zorgen, gebeurtenissen of scenario's blijven draaien zonder dat het denkproces werkelijk vooruitgaat.

Juist omdat piekeren op probleemoplossing lijkt, kan het moeilijk zijn ermee te stoppen. Misschien vind je toch nog de oplossing. Misschien kun je voorkomen dat iets fout loopt wanneer je alle mogelijke scenario's maar lang genoeg analyseert. Vanuit dat perspectief heeft piekeren een begrijpelijke functie: het brein probeert dreiging en onzekerheid te verminderen.

Sommige vragen laten zich echter niet door meer denken oplossen. “Wat als mijn nieuwe baan tegenvalt?”, “Wat denkt mijn leidinggevende werkelijk over mij?” of “Kan ik zeker weten dat mijn relatie over vijf jaar nog goed is?” hebben vooraf geen volledig betrouwbaar antwoord. Wanneer het doel absolute zekerheid wordt, kan het denkproces daarom eindeloos doorgaan.

Onderzoek maakt vaak onderscheid tussen worry en rumination. Worry of zorgen is doorgaans sterker toekomstgericht en draait vaak rond mogelijke negatieve gebeurtenissen: “Wat als dit misgaat?” Ruminatie richt zich vaker op negatieve gevoelens, problemen of gebeurtenissen die al hebben plaatsgevonden: “Waarom heb ik dat gedaan?”, “Waarom voel ik mij zo?” of “Waarom overkomt mij dit altijd?”

Susan Nolen-Hoeksema beschreef ruminatie als een herhaaldelijke en relatief passieve focus op negatieve gevoelens en hun mogelijke oorzaken en gevolgen, zonder dat dit noodzakelijk tot actieve probleemoplossing leidt. Beide processen verschillen enigszins, maar hebben gemeen dat denken repetitief en moeilijk loslaat baar kan worden.

Reflecteren op het verleden kan uiteraard nuttig zijn. Na een lastig gesprek onderzoeken wat je een volgende keer anders wilt doen is leren. Dezelfde gebeurtenis voor de vijftigste keer analyseren zonder nieuw inzicht is iets anders. Een eenvoudige controlevraag is daarom: “Weet ik na twintig minuten denken beter wat ik kan doen dan twintig minuten geleden?” Wanneer het antwoord voortdurend nee is, ben je mogelijk niet langer een probleem aan het oplossen maar vooral dezelfde mentale route opnieuw aan het afleggen.

Piekeren probeert vaak onzekerheid op te lossen

Veel piekergedachten beginnen met wat als. Wat als ik een fout maak? Wat als iemand mij afwijst? Wat als ik later spijt krijg? Wat als mijn financiële situatie verandert? Het brein simuleert mogelijke toekomstige scenario's in een poging daarop voorbereid te zijn.

Een zekere hoeveelheid vooruitdenken is functioneel. Je kunt een sollicitatiegesprek voorbereiden, financiële risico's inschatten of verschillende opties bij een loopbaankeuze vergelijken. Maar voorbereiding heeft een grens. Je kunt je goed voorbereiden op een sollicitatiegesprek; je kunt vooraf niet garanderen dat je wordt aangenomen. Je kunt zorgvuldig nadenken over een nieuwe baan; je kunt niet met zekerheid weten hoe je daar over vijf jaar op terugkijkt.

Piekeren kan daardoor een poging worden iets te verkrijgen wat het leven zelden biedt: volledige zekerheid vooraf.

Daar bestaat een relatie met onderzoek naar intolerance of uncertainty, oftewel moeite met onzekerheid verdragen. Mensen verschillen in de mate waarin onduidelijke of onvoorspelbare situaties spanning oproepen. Wanneer onzekerheid als bijzonder bedreigend wordt ervaren, kan langdurig analyseren aantrekkelijk worden omdat het ten minste het gevoel geeft dat je iets doet.

Het probleem is dat denken de fundamentele onzekerheid vaak niet kan verwijderen. Er wordt nog een scenario bedacht, nog een mening gevraagd en nog een website bekeken. De tijdelijke opluchting wordt gevolgd door een nieuwe vraag.

Geruststelling zoeken kan hetzelfde patroon krijgen. Je vraagt verschillende mensen of je de juiste beslissing hebt genomen. Hun antwoord geeft tijdelijk rust, maar een dag later ontstaat opnieuw twijfel. Ook informatie zoeken kan zo'n functie krijgen: nog één artikel, nog één review, nog één vergelijking en dan weet ik het zeker. Wanneer het werkelijke probleem niet een gebrek aan informatie maar moeite met onzekerheid is, levert méér informatie niet noodzakelijk meer zekerheid op.

Waarom piekeren 's avonds zo zichtbaar kan worden

Overdag wordt onze aandacht voortdurend opgeëist door taken, gesprekken, berichten en prikkels. Wanneer die externe activiteit vermindert, krijgen interne gedachten meer ruimte. Daardoor merken veel mensen juist 's avonds of in bed hoeveel er nog in hun hoofd speelt.

Vermoeidheid maakt dit niet eenvoudiger. Het moment waarop we mentaal minder fris zijn wordt soms het moment waarop we de grootste problemen van ons leven proberen op te lossen. We beschikken dan over weinig nieuwe informatie, hebben minder mogelijkheden om daadwerkelijk iets te ondernemen en krijgen wel veel tijd om dezelfde gedachten opnieuw te doorlopen.

Wanneer piekeren vervolgens de slaap verstoort, kan een zichzelf versterkende cyclus ontstaan. Minder slaap kan de volgende dag concentratie, emotieregulatie en probleemoplossing bemoeilijken. Daardoor kunnen problemen groter of minder beheersbaar voelen, wat opnieuw aanleiding geeft tot meer piekeren.

Ook perfectionisme kan het proces versterken. Wie gelooft dat er één perfecte beslissing bestaat, heeft veel redenen om te blijven analyseren. Een loopbaankeuze moet dan niet voldoende passend zijn, maar de juiste keuze. Een presentatie moet niet goed zijn, maar foutloos. Achteraf blijven daardoor vooral de twee zinnen hangen die beter hadden gekund, terwijl tientallen andere onderdelen goed verliepen.

Een andere begrijpelijke maar soms averechts werkende reactie is gedachten krachtig proberen te onderdrukken: “Ik mag hier niet meer aan denken.” Klassiek onderzoek van Wegner naar gedachteonderdrukking liet zien hoe moeilijk dat kan zijn. Om te controleren of je ergens níét aan denkt, moet het brein als het ware blijven controleren of de verboden gedachte terugkomt. Daardoor kan die gedachte juist toegankelijk blijven.

Het alternatief is niet iedere gedachte serieus analyseren, maar leren herkennen dat een gedachte ook gewoon een mentale gebeurtenis kan zijn. “Ik ga hier zeker spijt van krijgen” voelt misschien overtuigend, maar is nog steeds een voorspelling en geen feit. De formulering “Ik merk dat ik op dit moment de gedachte heb dat ik hier spijt van zal krijgen” creëert een kleine maar belangrijke afstand tussen gedachte en werkelijkheid.

Van abstract denken naar concrete actie

Een nuttige stap is eerst bepalen welk soort probleem voor je ligt. Is de situatie beïnvloedbaar? Dan kan een concrete actie helpen. Heb je werkelijk informatie nodig? Bepaal dan vooraf welke informatie noodzakelijk is en wanneer je voldoende weet. Kun je op dit moment niets veranderen of weten? Dan kan de moeilijkste stap juist zijn om onzekerheid voorlopig te laten bestaan.

Piekergedachten zijn vaak abstract. “Wat als mijn carrière mislukt?” is nauwelijks oplosbaar. De vraag “Welk aspect van mijn huidige werk wil ik binnen zes maanden veranderd hebben?” is veel concreter. “Wat als ik de verkeerde keuze maak?” kan worden: “Welke drie criteria zijn voor mij het belangrijkst bij deze beslissing?”

Hoe concreter een probleem wordt, hoe groter de kans dat denken tot handelen leidt. Soms blijkt vervolgens dat er op dit moment geen actie mogelijk is. Ook dat is relevante informatie.

Dat sluit aan bij het onderscheid tussen productief en onproductief denken. Productief denken beweegt richting informatie, besluitvorming of actie. Onproductief piekeren herhaalt vooral dreiging en onzekerheid.

Iedereen piekert weleens. Het verdient meer aandacht wanneer het langdurig veel tijd inneemt, slaap en concentratie verstoort, beslissingen blokkeert of samengaat met sterke angst of somberheid. Professionele begeleiding kan dan zinvol zijn. Het doel hoeft daarbij niet te zijn nooit meer te piekeren. Voor de meeste mensen zou dat onrealistisch zijn. Een bruikbaarder doel is leren herkennen wanneer denken nog helpt en wanneer het zichzelf in stand begint te houden. De centrale vraag wordt dan: “Is er op dit moment iets dat ik kan weten, beslissen of doen, of probeer ik vooral zekerheid te creëren over iets wat voorlopig onzeker blijft?” Alleen al dat onderscheid kan veel mentale ruimte teruggeven.

Verder ontdekken met TestCompass

Binnen TestCompass kunnen verschillende factoren worden onderzocht die met aanhoudend piekeren kunnen samenhangen, waaronder stress, coping, perfectionisme, faalangst en psychologische flexibiliteit. De resultaten zijn bedoeld om patronen zichtbaar te maken en niet om een angststoornis, depressie of andere psychische aandoening te diagnosticeren.

Bronnen

Borkovec, T. D., Robinson, E., Pruzinsky, T., & DePree, J. A. (1983). Preliminary exploration of worry: Some characteristics and processes. Behaviour Research and Therapy, 21(1), 9–16.

Ehring, T., & Watkins, E. R. (2008). Repetitive negative thinking as a transdiagnostic process. International Journal of Cognitive Therapy, 1(3), 192–205.

Nolen-Hoeksema, S. (1991). Responses to depression and their effects on the duration of depressive episodes. Journal of Abnormal Psychology, 100(4), 569–582.

Nolen-Hoeksema, S., Wisco, B. E., & Lyubomirsky, S. (2008). Rethinking rumination. Perspectives on Psychological Science, 3(5), 400–424.

Wegner, D. M. (1994). Ironic processes of mental control. Psychological Review, 101(1), 34–52.

© TestCompass.eu

Alle rechten voorbehouden. Overname of verspreiding zonder voorafgaande toestemming is niet toegestaan.

Alle artikels