Loopbaan & Werk

Wat is jouw ideale werkomgeving?

Wanneer mensen nadenken over een nieuwe baan, kijken ze vaak eerst naar de functie-inhoud. Wat ga ik doen? Past het werk bij mijn opleiding? Gebruik ik…

Wanneer mensen nadenken over een nieuwe baan, kijken ze vaak eerst naar de functie-inhoud. Wat ga ik doen? Past het werk bij mijn opleiding? Gebruik ik mijn talenten? Hoeveel verdien ik? Toch kunnen twee vrijwel identieke functies in verschillende organisaties totaal anders aanvoelen. Een projectmanager in een sterk hiërarchisch bedrijf heeft een andere werkervaring dan een projectmanager in een organisatie met veel autonomie. Een verpleegkundige in een hecht en stabiel team kan hetzelfde beroep anders beleven dan iemand in een omgeving met voortdurende personeelswisselingen. Bij loopbaankeuzes is daarom niet alleen de vraag welk werk bij je past, maar ook in welke omgeving jij dat werk het beste kunt uitvoeren.

De ideale werkomgeving bestaat niet

Wat voor de ene persoon een droomomgeving is, kan voor een ander bijzonder vermoeiend zijn. Een snelgroeiende organisatie met voortdurend veranderende prioriteiten kan iemand veel energie geven. Voor iemand die behoefte heeft aan voorspelbaarheid kan dezelfde omgeving juist veel mentale belasting opleveren. Een open kantoor waarin voortdurend overleg mogelijk is kan prettig zijn voor iemand die energie krijgt van sociaal contact, terwijl iemand die veel geconcentreerd denkwerk verricht dezelfde ruimte vooral als een bron van onderbreking ervaart.

Dat sluit aan bij onderzoek naar person-environment fit: de mate waarin kenmerken van een persoon en kenmerken van de omgeving op elkaar aansluiten. Binnen die brede benadering wordt onder andere onderscheid gemaakt tussen person-job fit, person-organization fit, person-group fit en person-supervisor fit. Meta-analytisch onderzoek laat zien dat zulke vormen van aansluiting samenhangen met verschillende werkuitkomsten, waaronder werktevredenheid, betrokkenheid en vertrekintenties.

Daaruit volgt niet dat iedere werknemer een volledig op maat gemaakte werkomgeving nodig heeft. Wel helpt het verklaren waarom een omgeving die objectief uitstekende voorwaarden biedt niet voor iedereen hetzelfde resultaat oplevert.

Een belangrijk verschil tussen werkomgevingen is bijvoorbeeld de hoeveelheid autonomie. Sommige organisaties werken met duidelijke procedures, vaste werkmethoden en nauwgezette opvolging. Andere geven medewerkers veel vrijheid om zelf te bepalen hoe zij resultaten bereiken. Ook mensen verschillen daarin. De ene medewerker voelt zich prettig wanneer verwachtingen en procedures helder zijn. Een ander ervaart dezelfde structuur als beperkend en wil veel ruimte voor eigen beslissingen.

Autonomie betekent overigens niet dat er geen regels of doelen bestaan. Onderzoek vanuit de Self-Determination Theory laat zien dat autonomie vooral gaat over het ervaren van voldoende keuze en psychologische ruimte in het eigen handelen. Duidelijkheid en autonomie kunnen dus uitstekend samengaan. Je kunt precies weten welk resultaat verwacht wordt en toch veel vrijheid hebben in de manier waarop je dat resultaat bereikt.

Ook behoefte aan structuur verschilt. Sommige mensen functioneren uitstekend wanneer planningen veranderen, onverwachte vragen binnenkomen en geen twee dagen hetzelfde zijn. Anderen presteren beter wanneer zij vooraf weten wat er verwacht wordt en hun aandacht gedurende langere tijd op één taak kunnen richten. Geen van beide is superieur. Problemen kunnen ontstaan wanneer de dagelijkse omgeving langdurig sterk botst met de manier waarop iemand optimaal functioneert.

Sociale én fysieke omgeving beïnvloeden het werk

Werk is voor veel mensen ook een sociale omgeving. Sommigen denken beter wanneer ze ideeën met anderen kunnen bespreken en krijgen energie van samenwerking en informele contacten. Anderen hebben veel behoefte aan ononderbroken tijd waarin zij zelfstandig kunnen werken. Dat betekent niet dat zij collega's niet waarderen of niet kunnen samenwerken. Hun optimale verhouding tussen sociaal contact en afzondering ligt eenvoudigweg anders.

Daarbij is de kwaliteit van het contact minstens zo belangrijk als de hoeveelheid. Een klein team waarin vertrouwen en ondersteuning bestaan kan meer verbondenheid bieden dan een grote organisatie waarin voortdurend overleg plaatsvindt maar weinig echte samenwerking bestaat.

Ook de fysieke werkomgeving doet ertoe. Geluid, temperatuur, verlichting, privacy, ruimtelijke indeling en mogelijkheden om geconcentreerd te werken kunnen het dagelijkse functioneren beïnvloeden. Onderzoek naar open kantooromgevingen laat bijvoorbeeld zien dat het verwijderen van fysieke barrières niet automatisch leidt tot meer betekenisvolle samenwerking en tegelijkertijd nadelen kan hebben voor privacy en concentratie. De optimale werkplek hangt daarom mede af van de taken die iemand uitvoert.

Dat wordt nog duidelijker bij hybride werken. Thuiswerken kan autonomie, concentratie en tijdswinst opleveren, maar voor sommige mensen ook leiden tot minder sociaal contact of moeilijkere grenzen tussen werk en privé. Kantoorwerk kan verbondenheid en spontane informatie-uitwisseling ondersteunen, maar eveneens meer onderbrekingen veroorzaken. De vraag “Is thuiswerken beter?” is daardoor te algemeen. Voor welke persoon, welke taak, hoeveel dagen en onder welke omstandigheden?

Een brainstormsessie kan baat hebben bij een andere omgeving dan een complexe analyse waarvoor drie uur ononderbroken concentratie nodig is. Zelfs binnen één functie kan de ideale werkomgeving dus gedurende de werkdag veranderen.

Cultuur, werktempo en waarden

Minder zichtbaar maar minstens zo belangrijk is de organisatiecultuur. Vacatures beschrijven meestal taken, salaris en arbeidsvoorwaarden. Veel moeilijker zichtbaar zijn de ongeschreven regels: hoe worden beslissingen werkelijk genomen? Hoe gaat men om met fouten? Is tegenspraak welkom? Wordt samenwerking beloond of concurreren collega's vooral met elkaar? Is het normaal om 's avonds nog berichten te beantwoorden? Hoe gemakkelijk kunnen medewerkers problemen bespreken?

Daarom kan iemand een functie inhoudelijk fantastisch vinden en toch niet gedijen binnen de organisatie waarin die functie wordt uitgevoerd. Hier ontstaat een directe verbinding met werkwaarden. Wanneer kwaliteit voor jou bijzonder belangrijk is en de organisatie vrijwel uitsluitend op snelheid stuurt, kan dat voortdurend spanning geven. Wanneer je samenwerking belangrijk vindt en individuele competitie de dagelijkse cultuur bepaalt, kan hetzelfde gebeuren.

Een perfecte waardenmatch is waarschijnlijk niet realistisch. Iedere organisatie vraagt aanpassing en iedere baan bevat elementen die minder goed passen. Maar wanneer fundamentele waarden voortdurend botsen, kan dat moeilijk te negeren zijn.

Ook werktempo en prikkelniveau verdienen aandacht. Sommige mensen functioneren uitstekend wanneer er voortdurend iets gebeurt en deadlines elkaar snel opvolgen. Een rustige omgeving voelt voor hen eerder onderprikkelend. Anderen hebben meer verwerkingstijd nodig en raken vermoeid wanneer een werkdag bestaat uit voortdurende onderbrekingen, berichten, vergaderingen en ad-hocvragen.

Daarmee komen we opnieuw bij het Job Demands-Resources Model. Een goede werkomgeving betekent niet noodzakelijk dat er weinig eisen worden gesteld. Uitdagend werk kan juist motiverend zijn. De vraag is of er voldoende hulpbronnen beschikbaar zijn om met die eisen om te gaan: tijd, autonomie, ondersteuning, informatie, vaardigheden en mogelijkheden tot herstel.

Te weinig uitdaging kan eveneens problematisch worden. Een omgeving waarin iemand structureel ver onder zijn capaciteiten werkt kan verveling en onderstimulatie oproepen. De optimale werkomgeving bevindt zich dus niet noodzakelijk aan de kant van maximale rust, maar bij een werkbare verhouding tussen uitdaging, hulpbronnen en herstel.

Comfort is niet altijd hetzelfde als fit

Er is nog een belangrijke nuance. De omgeving waarin iemand zich het meest comfortabel voelt is niet automatisch de omgeving waarin die persoon het beste functioneert of zich het sterkst ontwikkelt. Een zekere mate van uitdaging kan groei stimuleren.

Stel dat iemand onzeker is over presenteren en daarom zegt dat zijn ideale werkomgeving er één is waarin hij nooit voor groepen hoeft te spreken. Misschien is dat werkelijk passend omdat presenteren nauwelijks relevant is voor het soort werk dat hij wil doen. Maar het kan ook betekenen dat de voorkeur gedeeltelijk wordt bepaald door vermijding van een vaardigheid die ontwikkeld zou kunnen worden.

Daarom helpt het onderscheid tussen twee vragen: “Welke omstandigheden heb ik nodig om duurzaam goed te functioneren?” en “Welke omstandigheden vermijd ik vooral omdat ze spannend of onbekend zijn?”

Ook de ideale werkomgeving kan veranderen. Een dynamische functie met veel reizen kan in de ene levensfase aantrekkelijk zijn en later minder goed passen. Na jaren als zelfstandig specialist kan iemand meer behoefte krijgen aan samenwerking, terwijl iemand die jarenlang voortdurend met mensen heeft gewerkt juist verlangt naar meer geconcentreerde individuele taken.

Een bruikbare manier om dat te onderzoeken is niet alleen fantaseren over de perfecte werkgever, maar terugkijken naar concrete ervaringen: “Op welke werkdagen functioneer ik op mijn best en wat is er op die dagen anders?” Misschien had je meer autonomie, minder onderbrekingen, interessantere taken, meer contact met collega's of juist meer tijd alleen. Zulke patronen kunnen veel informatie geven over wat een omgeving passend maakt.

De ideale werkomgeving is daarom geen universele checklist en ook geen blauwdruk die je één keer vastlegt. Het is een dynamische match tussen persoon, werk en context. Hoe beter je begrijpt welke omstandigheden voor jou belangrijk zijn, hoe gerichter je functies en organisaties kunt onderzoeken.

Verder ontdekken met TestCompass

De Ideale Werkomgeving Test van TestCompass helpt verschillende kenmerken van een gewenste werkomgeving systematisch te onderzoeken. Door het resultaat te combineren met bijvoorbeeld werkwaarden, interesses en loopbaanvoorkeuren ontstaat een breder beeld van omstandigheden waarin iemand waarschijnlijk prettig kan functioneren. De test beschrijft voorkeuren en aandachtspunten en kan niet voorspellen dat één specifieke organisatie automatisch de ideale werkgever zal zijn.

Bronnen

Bakker, A. B., & Demerouti, E. (2007). The Job Demands-Resources model: State of the art. Journal of Managerial Psychology, 22(3), 309–328.

Deci, E. L., & Ryan, R. M. (2000). The “what” and “why” of goal pursuits: Human needs and the self-determination of behavior. Psychological Inquiry, 11(4), 227–268.

Kim, J., & de Dear, R. (2013). Workspace satisfaction: The privacy-communication trade-off in open-plan offices. Journal of Environmental Psychology, 36, 18–26.

Kristof-Brown, A. L., Zimmerman, R. D., & Johnson, E. C. (2005). Consequences of individuals' fit at work: A meta-analysis of person-job, person-organization, person-group, and person-supervisor fit. Personnel Psychology, 58(2), 281–342.

Oldham, G. R., & Fried, Y. (2016). Job design research and theory: Past, present and future. Organizational Behavior and Human Decision Processes, 136, 20–35.

Schein, E. H., & Schein, P. A. (2017). Organizational culture and leadership (5th ed.). Wiley.

© TestCompass.eu

Alle rechten voorbehouden. Overname of verspreiding zonder voorafgaande toestemming is niet toegestaan.

Alle artikels